waardering expertisetraject waardering en selectie decor scenografie albert dubosq joseph denis decordoek

Vlaams minister van cultuur Sven Gatz besliste om voor een bedrag van 891.300 euro subsidies toe te kennen aan pilootprojecten voor het waarderen van cultureel erfgoed. De projectsubsidies werden toegekend op basis van het subsidiereglement voor pilootprojecten waarderen van cultureel erfgoed.

"De ondersteuning van pilootprojecten geeft de mogelijkheid aan cultureel-erfgoedorganisaties om de kennis rond het begeleiden en toepassen van waarderingsmethodieken verder uit te bouwen. Bovendien geldt als voorwaarde dat de kennis gedeeld wordt met de cultureel-erfgoedsector, zodat alle organisaties toegang hebben tot de groeiende expertise rond dit thema” verduidelijkt minister Gatz.

Het Firmament en Resonant dienden een projectaanvraag in voor het ontwikkelen van een generieke methodiek voor cross-collections waarderenvan muziek- en podiumkunstenerfgoed. Hiermee willen we via contextualisering van de collecties het erfgoed waarderen om uiteindelijk een gedragen visie te ontwikkelen voor de toekomstige bewaring, onderzoek, ontsluiting en valorisatie van het erfgoed. Deze projectaanvraag werd goedgekeurd door minister Gatz en kan van start gaan in oktober.

Resonant en Het Firmament selecteerden twee uiteenlopende thema’s voor het ontwikkelen van een generieke methodiek om muziek- en podiumkunstenerfgoed cross-collections te waarderen:

  1. Historische toneeldecors in Vlaanderen en Brussel (1900-1960):

    Dat Vlaanderen en Brussel vóór de jaren 1960 een rijk theaterleven hebben gekend, hoeft geen betoog. Erfgoed uit dit tijdperk, voor zover nog bewaard, bevindt zich verspreid over diverse locaties, veelal achtergelaten door zijn makers of gebruikers, onvoldoende geïnventariseerd, gecontextualiseerd en naar waarde geschat, laat staan ontsloten. Vooral het scenografische erfgoed lijdt onder een gebrek aan engagement voor onze theatergeschiedenis. De eeuwenoude traditie van het (perspectivisch) geschilderde decor is nagenoeg uitgestorven in Vlaanderen, onbekend bij het grote publiek en soms verguisd. De ambachtelijke knowhow nodig voor het ontwerpen, realiseren en restaureren van een dergelijk decor (orthogonale projectie, gebruik van rastermethode, inzicht in kleurwerking onder theaterlicht, rechtopstaand schilderen met waterlijmverf, enz.) is thans nog aanwezig bij enkelingen die de pensioenleeftijd naderen of overschreden zijn. De toekomstmogelijkheden zijn nochtans legio, zelfs binnen de moderne theaterpraktijk als daarbuiten.

    Om dit gebrek aan engagement voor het scenografische erfgoed op te vangen is het gelukkig nog niet te laat. Er zijn nog heel wat collecties bewaard gebleven: bekende voorbeelden van vaste repertoiredecors zijn de ‘Dubosq’-collectie van de Schouwburg Kortrijk (1913-1926), waarvan recent 5 stukken zijn opgenomen op de Vlaamse Topstukkenlijst (zie 'Unieke theaterdecors opgenomen op Topstukkenlijst', Het Firmament, 26 juli 2018), en de decorstukken van Joseph Denis uit de Stadsschouwburg van Leuven (1938; thans in Leuven-Heverlee). Dit maakt verder onderzoek en valorisatie mogelijk. De zorg voor deze collecties overstijgt vaak de capaciteit van de individuele beheerders. Ze zien zich veelal genoodzaakt de decorstukken in minder ideale omstandigheden op te slaan in vochtige loodsen en garages, met alle gevolgen vandien voor de preservatie van de materialen: lijmwaterverf op canvas. Voornamelijk omwille van hun omslachtige dimensies en vormen (bv. brede achterdoeken en hoge zetstukken), maar ook door een gebrek aan affiniteit en ervaring met de traditie van het perspectivisch decorschilderen, komen dergelijke collecties slechts zelden terecht in een professionele erfgoedbewaarplaats zoals het regionale erfgoeddepot te Heule, waar de Dubosq-collectie zal opgeslagen worden. 

  2. Historische archieven en collecties jazzerfgoed (1920-2016):

    Sinds de ontwikkeling van jazz in België (ca. 1920) groeide een grote interesse voor het genre en kwam er al vrij vroeg een historisch besef van de intrinsieke waarde van deze muziek.  Als genre wordt jazz ook snel opgepikt door de Belgische muziekindustrie (platenlabels, concertzalen, muziekwedstrijden, het magazine Music …). In het verleden trok België heel wat buitenlandse jazzmusici aan voor concerten. Door het samen musiceren, waarbij de buitenlandse muzikanten als solist begeleid werden door muzikanten van eigen bodem, mogen we spreken van wederzijdse beïnvloeding. Vanaf het moment dat er jazzstages worden georganiseerd door o.a. Stichting-Lodewijk De Raet en Halewijnstichting, is die wisselwerking nog groter. Dat België ook internationaal gereputeerde jazzmuzikanten voortbracht (Jack Sels, Roger Van Haverbeek, Francy Boland, Stan Brenders, Bobby Jaspar, René Thomas, Marc Moulin, Toots Thielemans) speelde wellicht ook een rol bij het implementeren van het genre in het hoger én in het deeltijds kunstonderwijs tijdens de laatste decennia van de 20ste eeuw. Op deze manier bracht dit weer muzikanten en jazzensembles voort die een plaats verwierven op internationale podia.
    Er is heel wat waardevol jazzerfgoed aanwezig. Die collecties kwamen de laatste 5 à 10 jaar steeds meer ‘vrij’. Helaas is het erg verspreid bewaard, soms in slechte omstandigheden, en de beheerders van dit erfgoed bestaan uit diverse actoren, gaande van privéverzamelaars tot collectiebeherende instellingen. 

We opteerden voor twee thema’s die sterk van elkaar verschillen om de aanpak en resultaten te kunnen vergelijken. Daarmee geven we de stuurgroep van dit project voldoende basis om  gefundeerde beslissingen te nemen in functie van een generieke methodologie voor cross-collections waarderen van muziek- en podiumkunstenerfgoed. Een deel van de noden van het erfgoed voor beide thema's zijn bovendien generiek: het wordt verspreid bewaard in diverse omstandigheden, de collecties variëren sterk in verschijningsvorm of omvang en kennen een grote heterogeniteit wat eigenaars en beheerders betreft. Zowel Het Firmament als Resonant hebben al heel wat expertise opgebouwd op het vlak van respectievelijk historische toneeldecors en jazzerfgoed. Dankzij de honorering van dit project krijgen beide organisaties de kans om deze expertise in te zetten, maar ook tijd en ruimte voor experiment, voor het creëren van een draagvlak en voor kennisdeling tussen beide organisaties.