figurentheater topstuk rijksarchief leuven
Rijksarchief Leuven, Leuven

Podiumkunstenerfgoed in Rijksarchief Leuven

In het Rijksarchief Leuven bevinden zich juridische documenten die een nauwkeurig en uitgebreid verslag geven van het proces tegen de poppenspeler Jaspar Cobbeniers en zijn vrouw Elisabeth Lauwers (1601-1602). Zij werden in Eppegem beschuldigd van ‘toverij’ met houten ‘personagien’. Cobbeniers moest zijn poppen verbranden en hoge boetes betalen, zijn vrouw bezweek in de gevangenis aan de gevolgen van de pijnigingen tijdens het heksenonderzoek. Haar lichaam werd nadien alsnog verbrand.

Dit proces oogstte reeds vrij veel belangstelling in de literatuur over de geschiedenis van het poppenspel. Niet omdat het de eerste vermelding betreft van (ambulant) poppenspel in Vlaanderen (er zijn twee oudere vermeldingen bekend), maar wel omdat het veel vertelt over de receptie van het poppenspel door een lokale machthebber in een boerendorp. Verder zijn ook de passages met de beschrijving van Cobbeniers’ repertoire belangrijk, alsook de argumenten die hij ter zijner verdediging aanvoerde. Het ging immers maar om houten poppen die hij met zijn handen in beweging bracht en kleren aantrok van diverse typen uit heden en verleden om er een verhaal mee te vertellen. Hij vereenzelvigde zich met de rondtrekkende beroepsacteurs, die met maskers riddertoneel speelden, door zijn kunst “de conste van camerspelderye” te noemen. De representativiteit van deze rechtszaak voor de houding van de overheden ten aanzien van het poppenspel mag wel niet te hoog aangeslagen worden. Andere stadsbesturen bezochten zelf poppenspelvoorstellingen, zoals het Ieperse stadsbestuur in 1594, weliswaar nadat de poppen en de poppenspeler aan een grondige inspectie waren onderworpen. Dit neemt niet weg dat gerapporteerde intenties en technieken in het proces Cobbeniers de indruk wekken in een lange traditie te staan, aldus Herman Pleij. Dit maakt het een zeer bijzondere getuigenis.

Deze documenten zijn bijzonder zeldzame getuigen van de context waarin het poppenspel opgevoerd werd in de late zestiende, vroege zeventiende eeuw. Het betreft een ambulante traditie waar nauwelijks iets van overgeleverd is, dus hebben deze documenten en de beschrijvingen die ze bevatten niet alleen ijkwaarde, maar ook belang voor het collectief geheugen. 

MEER

  • De volledige tekst van dit proces werd uitgegeven door archivaris Alfons Goovaerts onder de titel “Poppenspel – tooverij – pijniging. Een zonderling proces in 1601-1602 voor de Vierschaar van de schepenbank van Eppegem”, in: De Vlaamsche Kunstbode, 25 (1895), p. 404-424 (ook uitgegeven als afzonderlijke overdruk).
  • Thijs, A.K.L., “Het poppenspel als volksvermaak in de Zuidelijke Nederlanden”, in: Spiegel historiael, 18 (1983), p. 586-593, meer bepaald p. 586.
  • Thijs, A.K.L., “Reizende poppenspelers in Vlaanderen: eeuwen van verguizing en bewondering (circa 1600-1945), in: Vansummeren, P. (red.), Poesje-, poppen en figurentheater te Antwerpen, Antwerpen: 1997, p. 9-32, meer bepaald p. 10-11.
  • Pleij, H., “Vrouwen en kinderen eerst? Over publiek en beleving van de Middelnederlandse ridderepiek”, in: Sleiderink, R., Uyttersprot,
  • V., Besamusca, B., Maar er is meer: avontuurlijk lezen in de epiek van de Lage Landen: studies voor Jozef D. Janssens, Amsterdam: 2005, p. 377-395, meer bepaald p. 388-389.

Uit: Els Silvrants-Barclay en Luk Van den Dries, Topstukken uit de theatergeschiedenis. Proeflijst  (onderzoeksrapport in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap). Universiteit Antwerpen, september 2012.

Met dank aan de onderzoeksgroep Research Centre for Visual Poetics (UA) en de geconsulteerde experten.