kadoc vlaamsche volkstoneel

Podiumkunstenerfgoed in KADOC-KU Leuven

Historiek

Het Vlaamsche Volkstooneel (VVT, 1920-1929) ontstaat in 1920 uit 2 andere gezelschappen. Artistiek leider Jan Oscar De Gruyter ziet zijn Vlaamse Volkstoneel als een soort rondreizende ‘volksuniversiteit’ die kunst en volksopvoeding verzoent. Nadat de Gruyter in 1922 directeur wordt van de Antwerpse KNS, groeit het gezelschap onder impuls van Wies Moens geleidelijk aan uit tot een gezelschap van katholieke signatuur. In 1924 leidt dit tot een nieuwe naam: de Samenwerkende Maatschappij Het Vlaamsche Volkstooneel (let op de gewijzigde spelling). Moens wordt algemeen leider en Johan de Meester jr. huisregisseur. De experimenten met modernisme en expressionisme leveren geen onverdeelde successen op, al wijzen Paul De Mont en Herman Teirlinck wel op het belang van de eerste voorstellingen. Na een conflict wordt Moens in 1925 vervangen door Jan Boon, die in tandem met de Meester zowel op organisatorisch, cultuurpolitiek als artistiek vlak de hoogdagen van de VVT orkestreert. Met decorateur René Moulaert in de rangen vestigt het Volkstooneel zich nationaal en internationaal als belangrijk avant-gardistisch theater. Na het vertrek van De Meester in 1929 belandt het VVT in een malaise. In 1932 valt het Volkstooneel uiteen in twee gezelschappen. De Tweede Wereldoorlog zet uiteindelijk een finaal punt achter de activiteiten van de groep, aangezien de meeste acteurs gemobiliseerd worden. In de komende jaren zouden af en toe stukken uit het VVT repertoire heropgevoerd worden, en worden een aantal herdenkingen georganiseerd. In 1952 is er even sprake van een heroprichting.

Betekenis

Het VVT zorgde voor de aansluiting van Vlaanderen bij de Europese theatervernieuwing. Waar De Gruyter verantwoordelijk was voor het opwaarderen van het repertoire en het ensemblespel invoerde, was De Meester de regisseur die Vlaanderen in contact bracht met de constructivistische vormtaal van de Europese avant-garde. Alhoewel het VVT zich in de marge van het theatersysteem bevond, zou het de belangrijkste theatermakers van het interbellum, zoals bv. Joris Diels, blijvend beïnvloeden. De modernistische decors van René Moulaert geven Vlaanderen een plaats in het boeiende avontuur van het Russische constructivisme.

Archief

Het archief van het VVT bevat o.m. notities, regieboeken, decorschetsen, nota’s, programma’s en briefwisseling uit de periode tussen 1919 en 1970. Van het ‘eerste VVT’ zijn slechts een beperkt aantal archivalia aanwezig. Over de crisis en de splitsing van het ‘tweede VVT’ in 1930, diens activiteiten en pogingen tot hereniging zijn er inhoudelijk rijkere dossiers. Zij omkaderen samen met archivalia over de nawerking van het tweede VVT (latere bewerkingen, opvoeringen en tekstuitgaven) het kerngedeelte. De stukken uit dit centrale deel hebben enerzijds betrekking op zakelijke en organisatorische aangelegenheden en anderzijds op het repertoire en de theateresthetiek. Ondanks enkele leemten (o.a. in de overigens rijke briefwisseling, in de documenten over het eerste speeljaar en over opvoeringen in kleinere lokaliteiten) is het een belangrijke bronnenverzameling die de basis vormt voor elke studie over het zgn. tweede VVT en het katholieke theaterrenouveau in de betrokken periode. Het archief bevat tevens een foto- en afficheverzameling. In 1989 werd een inventaris opgesteld

Vrij naar: Els Silvrants-Barclay en Luk Van den Dries, Topstukken uit de theatergeschiedenis. Proeflijst (onderzoeksrapport in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap). Universiteit Antwerpen, september 2012. Met dank aan KADOC-KU Leuven, de onderzoeksgroep Research Centre for Visual Poetics (UA) en de geconsulteerde experten.

 

Erfgoedlinks:

  • Archiefbeschrijving in LIAS (zoekomgeving voor archiefstukken en de daaraan gekoppelde digitale stukken)  en ODIS (gelinkt aan diverse andere gegevens over actoren en instituties uit het culturele middenveld).
  • Inventaris (G. Opsomer en J. Verhoogen, 1989) in pdf met contextuele toelichting en als openklapbare boomstructuur in LIAS:
  • Ook het Letterenhuis (Antwerpen) beheert een interessante collectie over het VVT, beschreven in Agrippa.

 

Meer lezen:

Oriënterend:

  • Het Vlaamsche Volkstooneel (1920-1932). In: ODIS. Fiche laatst gewijzigd: 13 augustus 2014. Online beschikbaar: http://www.odis.be/lnk/OR_4141 [raadpl. 8 juni 2018]
  • Geert Opsomer, “Het Vlaamsche Volkstooneel (VVT) en de opvoeringen van Lucifer en Tijl in Parijs. Internationale faam en mythevorming rond het VVT”, : R.L. Erenstein red., Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1996) p. 626-631.
  • Frank Peeters, “Jan Oscar de Gruyter overlijdt. De Gruyter en de professionalisering van het Vlaamse theater”, in: R.L. Erenstein red., Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen (Amsterdam 1996) p. 632-637.

Beschouwingen door betrokkenen of tijdgenoten:

  • Moens, W., "Een Katholiek modern tooneelrepertoire", in: De Beiaard 2 (1925), p. 27-48.
  • Moens, W., "Om een nieuw répertoire of het "Volkstoneel" in het gedrang", in: Pogen (jan. 1925), p. 12-14.
  • De Meester, J., "Over Volkstooneel" in: Wendingen 3 (1927).
  • Godelaine, C., Het Vlaamsche Volkstooneel, s.l.: 1939.
  • Boon, J., "Ervaringen van het eerste en tweede Vlaamse Volkstoneel", in: Lissens, R.F., De Vlaamse Literatuur sedert Gezelle, Antwerpen: 1950, p. 41-46.
  • Boon, J., "Vogelvlucht van het Vlaamse Volkstoneel" in: Dietsche Warande en Belfort (juni 1956), p. 269-276.
  • Van der Plaetse, A., Herinneringen aan het Vlaamse Volkstoneel. Leuven: 1960.

Academische literatuur:

  • Beyen R., “La généreuse aventure du Vlaamsche Volkstooneel”, in: Michel de Ghelderode ou la hantise du masque. Essai de biographie critique, Brussel: 1971 (2), p. 194-264.
  • Vanderheyden, H., Een bijdrage tot de geschiedenis van het Vlaamse Volkstoneel. Het repertoire vanaf zijn voorloper het Fronttoneel tot de triomfen in Parijs (1917-1927). Licentiaatsverhandeling K.U. Leuven, 1972.
  • Crommelinck, M., In het spoor van het Vlaamsche Volkstooneel 1920-1950. Licentiaatsverhandeling R.U. Gent, 1973.
  • Hemelaers, H., Een tweede bijdrage tot de geschiedenis van het Vlaamse Volkstoneel. De drie roerige speelseizoenen voor de splitsing (1927-1930). Licentiaatsverhandeling K.U. Leuven, 1976.
  • Tanghe, M., Een derde bijdrage tot geschiedenis van het Vlaamse Volkstoneel. Van de splitsing (1930) tot de ontbinding (1932) plus een hoofdstuk over "Van Onzen Tijd" (1932-1933), Licentiaatsverhandeling K.U. Leuven, 1977.
  • Opsomer, G., "Enkele aantekeningen over het publiek van het Vlaamse Volkstoneel" in: Uut goeder jonsten. Studies aangeboden aan prof. dr. L. Roose naar aanleiding van zijn emeritaat. Leuven, 1984, p. 167-189.
  • Opsomer G., "Reconstructie en evaluatie van het ontslag van Wies Moens als algemeen secretaris van het Katholieke Vlaamse Volkstoneel (april, 1925)", in: Handelingen van de Koninklijke Zuid-Nederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis XXXVIII (1984), p. 109-129.
  • Peeters, F., Het Vlaamse Volkstoneel 1920-1924. Ontwikkeling en toetsing van een tentatieve methode van theaterhistoriografie. 3 delen. Doctoraatsverhandeling U.I. Antwerpen, 1986.

 

Benieuwd naar méér en ander podiumkunstenerfgoed? Bekijk de fiches in de rubriek Spot op Erfgoed.