|
STANISLAVSKI (1863 - 1938) Stanislavski kwam tot zijn acteertheorie tegen de achtergrond van de speelwijze in de negentiende eeuw. Op de toneelscholen werd destijds alleen gelet op uiterlijke zaken als dictie, stemgebruik en gesticulatie en besteedde men nauwelijks aandacht aan de innerlijke emoties.
Geacteerd werd met veel overdrijving, sentiment en clichés en met veel stereotiepe gebaren en overacting. Stanislavski zocht naar een realistische, waarachtige acteerstijl, naar een zorgvuldige en nauwgezette vormgeving, naar getrouwe weergave van de realiteit die de ware gevoelens laat zien. Stanislavski ging daarbij uit van samenspel, van de noodzaak in te gaan op de medespelers zodat een homogeniteit binnen de opvoering tot stand kan komen.
De acteur speelt niet alleen maar doet alsof hij werkelijk de figuur beleeft.
Talloze bekende Amerikaanse filmsterren als Marlon Brando, Robert de Niro, Dustin Hofman, James Dean, Paul Newman, Al Pacino en Marylin Monroe hebben de beroemde "Actors Studio" gevolgd. Die werd door een aantal Russische acteurs, uit de school van Stanislavski, geïnspireerd. Deze acteerstijl wordt tot in onze tijd in veel toneelscholen, opleidingen en workshops in de praktijk gezet.
MEYERHOLD (1874 - 1940) Meyerhold had Duitse ouders maar werd in 1895 Russisch staatsburger. Hij studeerde rechten, volgde toneelschool in Moskou en werd als jong acteur opgenomen in het Kunstenaarstheater van Stanislavski. De revolutionairpolitieke bewegingen (de revolutie van 1905) en de avant-gardistische manifesten en tijdschriften uit het Westen speelden een grote rol in zijn denkbeelden.
Op basis van stem- en spraaklessen, bewegingsleer en atletiek moest de acteur zijn rol uitbeelden. Om deze nieuwe speelwijze te bereiken werkte Meyerhold vaak met onervaren acteurs die daardoor niet 'verpest' waren. Hij maakte ook gebruik van projecties en film. Meyerhold probeerde het verfijnde, emotioneel-psychologisch theater van zijn leermeester Stanislavski door een nieuw theater te vervangen. In plaats van het woord, het literaire teksttoneel legde hij het accent op de theatraliteit en het acteren. De acteur moet zijn rol uitbeelden door middel van gebaren, poses, blikken en stiltes. En in plaats van de traditionele decors werkte hij met een reliëftoneel zoals een houten constructie met verschillende verdiepingen. Daarmee wilde hij het kunstmatige van het theater zichtbaar maken. Deze constructivistische opstelling met trappen en podia sloot voortreffelijk aan bij de geometrische gesticulatie, de poses, de gebaren en acrobatische acts van de spelers.
BERTOLD BRECHT (1898 - 1956) De doorbraak van Bertold Brecht had pas plaats na de tweede wereldoorlog. De opvatting van Brecht ging in eerste instantie uit van een antiburgerlijke houding, van scepsis ten aanzien van de heersende theaterconventies. Zijn "episch theater" was volgens hem in de eerste plaats een middel om bij de mens een maatschappelijk bewustzijn op de wekken.
De concrete speelwijze van Brecht gaat ervan uit dat de acteur niet in de huid van het personage kruipt maar dat hij een kritische afstand bewaart. Hij moet dus eerder een personage tonen in plaats van het te zijn. De theaterapparatuur werd niet weggemoffeld. Regelmatig doken er in zijn teksten een verteller op en werden er liederen gezongen om de illusie en de suggestie te doorbreken. Verder gebruikte hij titels voor een scène. Hij speelde doorgaans in werklicht met open doek. Al deze middelen noemde hij 'vervreemdingseffecten'. Zijn theateropvatting is politiek-maatschappelijk bepaald en wilde een bijdrage leveren aan de verandering van de samenleving.
| Stanislavski | | Brecht | | Suggereren van realiteit | | Laten zien van realiteit | | Illusionisme | | Anti-illusionisme | | Belichamen van een rol | | Tonen van een rol | | Psychologie | | Sociologie | | Zich inleven | | Distantie | | Belichamen | | Tonen |
ANTONIN ARTAUD (1896 - 1948) Zijn bijdrage als belangrijk vernieuwer vinden we vooral in zijn talloze artikelen en manifesten. Hij was een veelzijdig kunstenaar, actief als schrijver, tekenaar, dichter, acteur en regisseur.
Artaud had een specifieke opvatting over het theater dat door middel van fysieke handelingen en een ritueel karakter het publiek moet beïnvloeden. Tegenover het illusionistische, burgerlijke toneel plaatste hij zijn theater van de wreedheid. Het theater moest weer in staat zijn de toeschouwers te bevrijden van de beperkingen van de rede en de moraal. Het moest zijn oorspronkelijke brute kracht terugwinnen. Hiervoor gebruikte hij een vernieuwde theatertaal en speelde hij met licht, met fantastische, bizarre kostuums, met merkwaardige geluiden, met schreeuwen, vergelijkbaar met voorbeelden uit de hedendaagse muziek.
JERZY GROTOWSKI (1933 -1999) De acteurs onder leiding van de Pool Grotowski werkten uit onvrede met het traditionele, burgerlijke theater en waren op zoek naar het wezen en de oorsprong van het theater buiten alle conventies om.
Grotowski zag af van technische middelen, van het gebruik van kostuums en decor, omdat alles alleen maar aankomt op het "arme theater van de spelers". In dit theater gaat het alleen over de acteur, zonder hulpmiddelen en ongeschminkt, als het meest eigene en specifieke van het theater. Hij maakte ook veelvuldig gebruik van voorbeelden uit het Oosterse toneel.
De acteur moet zijn eigen mogelijkheden ontdekken, een lichamelijke, suggestieve directheid bereiken. Het gaat bij deze manier van acteren niet om trucs of theatrale middelen maar om een bijna spirituele zoektocht naar de waarheid. Daartoe moeten eerst alle weerstanden van buitenaf of van binnenuit worden opgeheven om zo ruimte te scheppen voor totale zelfontplooiing van de spelers. De acteur moet na eindeloze stemoefeningen, trainingen op gebied van acrobatie en gymnastiek op basis van perfecte stem- en lichaamsbeheersing uit zijn innerlijke de expressie putten.
Nawoord De acteerstijl staat nooit op zichzelf maar is afhankelijk van de tekst, de regieopvatting of wordt ondersteund door elementen als de ruimtelijke inrichting, de scenografie, rekwisieten en kostuums.
--------------------- Dit is een samenvatting uit "Theatrale speelwijzen in de twintigste eeuw" door Karel Hupperetz. Een tekst uit het "Handboek Amateur Theater". |