|
BEPALING
Een scenario is een lineaire rangschikking van met elkaar verbonden gebeurtenissen die leiden naar een dramatische ontknoping. Het heeft een welomlijnd begin, midden en einde.
PREMISSE
De premisse (een voorafgaande of vooropgestelde stelling) vat in drie woorden het thema van het scenario samen. Het middelste woord moet altijd een actief werkwoord zijn dat verandering en progressie inhoudt.
Voorbeelden
Oorlog / vernietigt / menselijkheid
Misdaad / brengt / geen baat of liefde
Mannelijk chauvinisme / veroorzaakt / vrouwelijke revolte
(Ibsen: Het poppenhuis)
De premisse is niets meer dan een middel om al wat niet tot de dramatische structuur behoort te verwijderen of te ontwijken.
PARADIGMA
Een paradigma is een scenariomodel, d.w.z. een patroon, een schematische voorstelling. Het biedt houvast.
| Begin |
|
Midden |
|
Einde |
| |
|
|
|
|
| 1e Akte |
|
2e Akte |
|
3e Akte |
| |
|
|
|
|
| Fundament of set-up |
W1 |
Confrontatie |
W2 |
Ontknoping |
| |
|
|
|
|
Akte 1: het fundament of set-up
De eerste akte geeft de expositie. Wie is de hoofdpersoon? Wat is het uitgangspunt? Hoe zit de situatie in mekaar? Waar gaat het verhaal over? Vooral de eerste tien minuten moet het stuk zijn publiek weten te boeien.
Op het einde van de eerste akte komt er een wendingspunt. Dit is een incident, een voorval dat in het verhaal grijpt waardoor het een andere wending krijgt.
Akte 2: de confrontatie
De tweede akte omvat het conflict of de dramatische actie. De hoofdpersoon wordt geconfronteerd met uiterlijke of innerlijke hindernissen.
Op het einde van de tweede akte komt het tweede wendingspunt dat leidt tot de ontknoping.
Akte 3: de ontknoping
Hoe eindigt het verhaal? Wat gebeurt er met de hoofdpersoon? De periode van dubbelzinnige ontknopingen is voorbij.
HET ONDERWERP
Het onderwerp handelt over personages en wat er met hen gebeurt, d.w.z. de actie..
Er zijn twee soorten actie:
- fysieke actie, vb. een achtervolging, het beroven van een bank…
- emotionele actie, vb. wat er tijdens het verhaal binnenin je personage gebeurt.
De voornaamste ingrediënten van ieder drama zijn: conflicten, strijd, het overwinnen van obstakels met als uiteindelijk doel de toeschouwer te boeien tot aan de ontknoping. Zonder conflict geen drama, zonder drijfveer geen hoofdpersonage, zonder hoofdpersonage geen actie.
DE PERSONAGES
De hoofdpersoon die het conflict aan den lijve ondervindt, die de beslissingen moet nemen en de emoties doormaakt is de protagonist. Er moet natuurlijk een tegenkracht zijn en dat is de antagonist. Alle andere personages die onder meer de aanleiding geven tot het conflict of een vertrouwensrol vervullen zijn de tritagonisten.
Dialogen moeten informatie overdragen, de feiten van het verhaal overbrengen naar het publiek. Ze moeten conflicten tussen de personages en in de personages aan het licht brengen. De dialogen vloeien voort uit de karakters. In het figurentheater zijn dialogen meestal tot het noodzakelijkste beperkt omdat de actie en het beeld primeren en omdat het praten niet tot de sterkste kant van de pop behoort.
---------------------
Geraadpleegd: "Scenariocursus" 1979 door John W. Bloch, William Fadiman en Lois Peyser.
Drama
|
|
Drama betekent in het Grieks handeling. Theaterwetenschappers maken een
onderscheid tussen de tekst op papier (drama) en de opvoering op het
toneel (toneel, theater).
DE ARISTOTELISCHE STRUCTUUR
De gesloten dramastructuur, naar de
Griekse theoreticus Aristoteles (384-322) geldt voor vrijwel de hele
westerse toneelliteratuur vanaf de oude Grieken tot het begin van de
20e eeuw en meestal tot op heden.
Een toneelstuk is geconstrueerd volgens de wet van de drie eenheden:
eenheid van tijd, eenheid van plaats en eenheid van handeling. De
eenheid van handeling betekent dat er geen verhalen mogen in voorkomen
zonder direct oorzakelijk verband met de hoofdhandeling. De
aristotelische structuur kent gewoonlijk een opbouw in drie of vijf
bedrijven.
DE EPISCHE STRUCTUUR
In de 20e eeuw is naast de aristotelische structuur ook de open
structuur van het episch drama gekomen. Het "epische" betekent dat het
toneel verhalender wordt. De Duitse toneelschrijver Bertolt Brecht
(1898-1956) is de theatermaker geweest die ieder meebeleven wilde
voorkomen omdat volgens hem het gesloten systeem zou hinderen goed na
te denken over het getoonde. Hij wilde de mensen op de sociale situatie
wijzen. Hij verbrak met zijn "vervreemdingsprincipe" de
toneelstructuur. Hij liet bewust personages uit hun rol treden en er
werd, via liederen en projecties, commentaar gegeven. Het was zijn doel
om het publiek meer tot "meedenken" dan tot "aanvoelen" aan te zetten.
DE ABSURDISTISCHE STRUCTUUR
Dit zijn stukken waarbij men bewust de klassieke verhaallijn loslaat om
met ongerijmdheden van de structuur te laten zien hoe ongerijmd men de
samenleving vindt. Sommige absurdistische stukken kennen een cyclische
(cyclus: tijdskring) structuur: het eindigt net zoals het begonnen is
waarmee aangetoond wordt dat er niets wezenlijk veranderd is.
Absurdisten: Pinter, Ionesco, Beckett.
HET PLOTLOOS DRAMA
In de loop van de twintigste eeuw zijn er diverse theaterrichtingen
ontstaan die geen gebruik maken van de klassieke plot of
verhaalstructuur. Sommige symbolische of absurdistische stukken missen
een plot. Evenals in de romanliteratuur zocht men in het theater naar
een vorm die vrij was van iedere anekdotiek.
---------------------
Geraadpleegd: Handboek Amateur Theater, Bohn Stafleu v. Loghum BV.
Regie
|
|
Repeteren
is een bouwproces waarin stapsgewijs vorm wordt gegeven aan een rol en
een scène. Het is een proces waaraan de regisseur leiding geeft.
Repeteren is zoeken, proberen, van mening verschillen. Maar het is ook:
opbouwen, groeien en iets nieuws en fascinerend zien ontstaan.
Het publiek dat een toneelvoorstelling bezoekt, weet dat er een spel
wordt 'gespeeld' en dat wat op toneel gebeurt 'niet echt' is maar toch
'zo oprecht mogelijk' gespeeld wordt.
Acteurs die begrijpen wat
ze doen, begrijpen ook de aanwijzingen in het repetitieproces veel
sneller en tillen de voorstelling door hun goed ingeleefde spel
daardoor naar een beter niveau.
De acteur kan een fysieke over-
of onderspanning hebben. Uiteindelijk moet de goede persoonlijke
spanning overgebracht worden naar het personage op de scène. Een
belangrijke factor hierbij is zijn kijkrichting.
Een acteur met
een opzegtoontje wordt door het publiek als onecht ervaren. Een
slordige articulatie, te zacht of te hard spreken en het overslaan van
zinsdelen betekent dat de acteur niet gemotiveerd is of dat hij zijn
tekst niet goed heeft geleerd.
Het tempo/ritme van bewegen dient te corresponderen met de rol en met de stemming of emotie die de scène vraagt.
Wanneer
de regisseur niet van tevoren precies een kant en klare mise-en-scène
(bewuste plaatsing van de acteurs tegenover elkaar in de ruimte) aan de
spelers oplegt, kan een spontane mise-en-scène ontstaan uit het spel
van de acteurs zelf. Als de acteurs de scène goed begrijpen en goed
ingeleefd spelen, zal de mise-en-scène die daaruit volgt ook kloppen.
Elementen
die de mogelijkheden en de verbeelding van de poppenspeler stimuleren,
zijn de scenografie (poppen en decor), de muziek en de belichting.
|