Skip to content

Increase font size  Decrease font size  Default font size 
U bent hier:    Home arrow Over figurentheater arrow Termen

Nieuwsbrief

Blijf je graag op de hoogte van onze activiteiten? Schrijf nu in op onze nieuwsbrief!
 

Facebook

Word nu lid van Het Firmament op Facebook!
Termen E-mail

Een lijst met belangrijke termen uit de (figuren)theaterwereld:

  • Coté jardin: links van de toeschouwer 
  • Coté cour: rechts van de toeschouwer 
  • Cue = wacht(woord): Woord of gebaar waarna een bepaalde actie moet worden ondernomen (geluid, opkomst van een acteur, belichting….)
  • Regisseur, stage- en film-manager, Spielleiter, metteur en scène
  • Mise-en-scène: de bewegingen die de acteurs in hun rollen maken.
  • Scenograaf: zorgt voor alles wat bij een voorstelling zichtbaar en hoorbaar is voor het publiek en niet direct door de acteurs of dansers wordt voortgebracht. Decors, kostuums, figuren, rekwisieten, licht, geluid, grime…
  • Inspiciënt: persoon die het toezicht heeft op de rekwisieten, de toepassing van licht- en geluidseffecten, enz. in het theater, bij de radio en televisie. Vergelijk met toneelmeester.
  • Dramaturg: artistiek beleid en repertoirekeuze - voorbereiding regieconcept – vertalen en hertalen – tekstbewerking – opstellen van het programmaboek – auteursbegeleiding….
  • Productieleider: leider van de technische, organisatorische en financiële problemen van een of meerdere opvoeringen.
  • Regieassistent(e): assistent(e) van de regisseur. Scriptgirl.
  • Set: toneelopbouw.
  • Auditie: Niet-openbare muziek-, toneel-, of andere uitvoering als proef.
  • Coulissen: aantal poten en friezen achter elkaar evenwijdig met de prosceniumlijn (voortoneel). In het vroegere coulissen-theater waren ze uit hout en beschilderd met perspectivische voorstellingen.
  • Generale: generale repetitie(s) vóór de première
  • Rekwisiet: benaming van allerlei voorwerpen die bij een theatervoorstelling nodig zijn zonder bij het decor of de garderobe te behoren. Ook: toneelattribuut.
  • Praktikabel: plaatselijke verhoging van speelvlak bestaande uit een (meestal opvouwbare) kooi met daar overheen een dekplaat (zie afbeelding).
  • Zetstukken: decorelementen die meestal bestaan uit een frame waarover doek gespannen is. De vakken kunnen met elkaar verbonden worden door fitsen (een soort scharnieren) en krommers die in de plaats komen van de scharnierassen. Ze worden in evenwicht gehouden door schoren en verzwaard met kluiten (gewichten) ook toneelbroden genoemd (zie afbeelding).
  • Musical: musical comedy: film of theater waarbij een deel van de tekst gezongen wordt. Zangspel.
  • Music-hall of variété: Voorstelling met afwisselend chanson, voordracht, goocheltoeren, acrobatie…
  • Revue: toneelstuk bestaande uit een aaneenschakeling van losse toneeltjes en voordrachten waarin allerlei activiteiten aan bod komen, meestal afgewisseld met zang en dans.
  • Cabaret: Kleinkunstvorm met sketches, conférences en chansons waarbij op een satirisch-humoristische wijze politieke of actuele gebeurtenissen bekritiseerd worden.
  • Vaudeville: luchtig muzikaal toneelstuk.
  • Mime: theatrale vorm van bewegingskunst waarbij de speler gedachten en gevoelens uitdrukt en handelingen uitbeeldt door middel van lichaamsbewegingen, gebarenspel en gelaatsexpressie. (vergelijkbaar met pantomime.)
  • Toneel:
    1. toneelkunst, drama, theater
    2. Bühne, podium, scène
  • Poppenspel: nu uitgebreid tot figurentheater, objecttheater, bewegingstheater en beeldend theater en aangevuld met levende acteurs en audiovisuele middelen. (De voornaamste figuren: zie hierachter.)
  • Intercom: installatie waardoor achter het toneel en in de kleedkamers kan gehoord worden wat er op de scène gebeurt en wat de inspiciënt zegt.
  • Trek: horizontale stang over de breedte van het toneel die met behulp van touwen en katrollen op en neer bewogen kan worden ten einde belichting, doeken of decors in de kap (het hoge toneelhuis, van buiten gezien de toneeltoren) op te hijsen of neer te laten.
  • Zwart licht, black light: ultraviolet licht in combinatie met witte verf of fluorescerende verf.
  • Claus: passage (één woord of meerdere volzinnen) in een stuk voor een acteur na mekaar gesproken. (zie: repliek)
  • VERDER: opendoekje, plankenkoorts (trac), toi toi!; breek je been! afbreken, applaus melken, claqueur en claque, lichtbrug, gaasdoek, souffleur, uit zijn rol vallen, black-out…

---------------------
Bronvermelding: De technische tekeningen en de informatie over dit onderwerp zijn van Roel Twijnstra en komen uit: "Handboek Amateur Theater, uitg. Bohn Stafleu Van Loghum bv. Houten 1990.